In Piemonte drinken ze ’m zelf het liefst. Geen grote Barbaresco, maar gewoon een glas Dolcetto. Licht, levendig, toegankelijk rood. De druiven komen van biologische wijngaarden rond Treiso, op kalkrijke marmerbodems met zuidelijke ligging. In september worden ze vroeg in de ochtend met de hand geplukt en vergist in staal, zodat het fruit fris blijft. Van deze Dolcetto worden jaarlijks maar 5.000 flessen gemaakt. In het glas: robijnrood met paarse tinten. De geur: rijpe kersen, viooltjes, blauwe bessen en die typische hint van amandel. De smaak is soepel, fruitgedreven en fris, met zachte tannines en een mooie, droge afdronk. Licht gekoeld serveren (14–16 °C), bij pasta, gegrilde groenten of gewoon op zichzelf. Het is misschien vloeken in de kerk maar de wijnboerin verklapte ons iets waar we van moesten glimlachen: op warme dagen mengen ze deze wijn met een scheutje bruiswater. Lekker fris, dorstlessend en nog steeds vol smaak.